De Bokkenrijders in de familie Winkens

Eene groote bende inbrekers, knevelaers, dieven ende roovers.

Of

Robin Hoods, geheim genootschap, vrijkorps en vrijheidsstrijders

 

Door: F.J.L. Winkens

 

Inleiding

 

In de titel van dit stuk ligt een vraag opgesloten die tot op de dag van vandaag de gemoederen bezig houdt. Waren het benden, geheime genootschappen, vrijheidstrijders, voorlopers van de Franse revolutie? Daar zelfs de meningen van historici verdeeld zijn kan er geen duidelijke wetenschappelijke beschrijving gegeven worden van het fenomeen bokkenrijders. Wie het weet mag het zeggen, maar voor onze familiegeschiedenis is alleen van belang dat er onder onze voorouders daders en slachtoffers waren.

 

Zoals bij zovele Limburgse families komen ook in onze familie leden van de zogenaamde bokkenrijders voor alsook families die te lijden hebben gehad van de activiteiten van deze benden. Bijvoorbeeld de familie Ritzen uit Wijnandsrade, welke familie in de nacht van 19 op 20 april 1762 overvallen en mishandeld werd (kwartieren 176 en 177). Maar dit stuk handelt over de Winkens leden van de benden. Over slachtoffers van de benden in onze familie en andere leden van de benden uit onze kwartierstaat volgt later nog berichtgeving. In de rest van het stuk zullen we alleen nog spreken van benden als we het over de zogenaamde bokkenrijders hebben.

 

Aanleiding

 

Ook over de aanleiding tot het ontstaan van de benden zijn de meningen niet eensluidend. Het is in ieder geval een gegeven dat de veepest in de eerste helft van de 18e de veestapel behoorlijk uitdunde. En dat verder oorlogsschatting, bevoorradingen en inkwartiering van doortrekkende troepen de verarming van de bevolking bevorderden en deze tevens in het bezit bracht van vuurwapens. Toen in 1714 de Spaanse successieoorlog (1702-1714) was afgelopen vonden ook vilders, schoenmakers, zadelmakers, slotenmakers en andere ambachtslieden minder werk en inkomsten.

 

Oorzaak van het ontstaan van de bendes

 

Algemeen kan dus worden aangenomen dat armoede de hoofdoorzaak was voor het ontstaan van de criminaliteit. Maar het waren niet alleen armen die deel uit maakten van de benden, er zaten zelfs rijken en adellijken tussen. Deze laatsten bracht het teruglopen van inkomsten tot hun strooptochten. De verarming en het toenmalige sociale leven schiepen een gunstig klimaat voor het vormen van benden.

 

Actieradius en periode

 

In de achttiende eeuw zag de landkaart er heel anders uit als tegenwoordig, het was een ware legpuzzel van staatjes, vrijheerlijkheden en leenheerschappen, die allen een zelfstandig civiel bestuur en rechtsbestuur hadden. Ook de politieke situatie was verre van stabiel. Het optreden van de bendes speelt zich af in een gebied dat het huidige Belgisch-Limburg, het midden en zuiden van het huidige Nederlands-Limburg en het huidige Duitse gebied rondom Aken omvat.

 

Door historici worden verschillende operationele periodes aangegeven ieder vanuit zijn eigen optiek. Maar in hoofdzaak komt het erop neer dat vanaf 1734 tot de komst van de Fransen in 1794 de benden actief waren, met verschillende periodes van rust welke meestal optraden na massale executies.

 

Voor onze familiegeschiedenis zijn gebruik makende van de huidige bekende gegevens van belang de benden welke opereerden in het land van Valkenburg en s-Hertogenrade. Dit gebied staat bekend als het land van Overmaze en omvat een gebied dat ruwweg begrensd wordt door de steden Maastricht, Aken, Gulick en Roermond. De periodes waarin onze voorouders actief waren zijn als volgt:

 

 

De eerste periode van 1734 - 1756, met als leidende figuren in het land van Valkenburg Mathias Ponts en Geerlingh Danils. In deze periode zijn de meeste voorouders actief in de benden.

De tweede periode van 1762 - 1776 met als leidende figuren in het land van s-Hertogenrode de gebroeders Balthasar en Joseph Kirchhoffs. In deze periode zijn er connecties met bendeleden maar er zijn tot op heden nog geen terechtstellingen bekend. Wel zijn in deze periode voorouders slachtoffer van de benden. Niet in de stamreeks maar wel in de kwartieren.

 

De naam Bokkenrijders

 

De naam Bokkenrijders treft men pas in de processtukken aan in de jaren zeventig van de achttiende eeuw. De naam is door de bendeleden zelf niet gebruikt en is waarschijnlijk in de volksmond ontstaan.

De bok is in het christendom het symbool voor de duivel. Daar de bendes soms op een nacht op verschillende ver van elkaar verwijderde plaatsen toesloegen, en men uitging van n bende zag men hierin het werk van de duivel. Deze gaf de bokkerijders de kracht om zich op bokken door de lucht te verplaatsen.

De bendeleden zelf spraken echter over gesellen, kameraden of complicen.

Justitie had het over Goddelooze bande, bezwoorene bande of vloekgespuis.

 

De bendeleden

 

Hiertoe behoorden mensen uit alle lagen der bevolking maar toch in hoofdzaak slotenmakers, vilders, schoenlappers, ex-militairen. Ook rijken en leden van de lagere adel worden genoemd als bendeleden zoals de jonkers Du Pr en de Gavarelle.

 

De organisatie

 

De rondzwervende soldaten en ex-soldaten hebben de bende misschien wel het model voor werving en organisatie verschaft. Want het lijkt erop dat de bende op militaire leest werd geschoeid en hiervan getuigen niet alleen de wervingsmethoden met het verstrekken van handgeld en het noteren van de naam in een boekje maar ook de organisatie van de benden in plaatselijke afdelingen die compagnies, rot, corps of partij werden genoemd en het gebruik van militaire benamingen als kapitein, luitenant, adjudant, sergeant en korporaal. Ook het gebruik van wachtwoorden, de appls, het op- en aflezen van naamlijsten voor de uitoefening van een overval wijzen in deze richting.

 

Familiebanden:

 

Antonius Winckens gedoopt te Schinnen op 3 september 1661 als zoon van Johannes Winckens en Anna Thomissen. Gehuwd te Heer met Anna Wijnandts op 27 januari 1685.

Antonius was een militair gelegerd te Maastricht in de compagnie van Capt. Le Plat.

Zijn zoon Petrus wordt geboren te Heer. Waneer Antonius terug kwam naar Schinnen is niet met zekerheid vast te stellen, maar zijn eerste geregistreerde kind in Schinnen Anna werd gedoopt op 8 mei 1697. Hierna werden nog zijn kinderen Maria en Antonius in Schinnen gedoopt. Of zijn zoon Johannes en eventuele overige kinderen ook in Schinnen of elders gedoopt zijn is nog niet vastgesteld.

Na het overlijden van zijn vrouw Anna op 24 augustus 1736 huwt Antonius met Eva Cremers. Antonius overlijdt te Schinnen op 1 juli 1750.

 

De zoon van Antonius en Anna genaamd Johannes (bendelid) is 3 maal gehuwd. De eerste keer met Maria Heuvels, de tweede keer vermoedelijk met Maria Houben, van waar de naam Hubben Hans en de derde maal met Gertrudis Fijnet, waarschijnlijk te Sittard. Gertrudis Fijnet stamt vermoedelijk ook uit een soldatengezin en is reeds eerder gehuwd met Adam Peters en Johannes Driessen. Deze laatste was ook een militair. Hubben Hans was gevlucht uit Puth en is dus tijdens zijn onderduikperiode gehuwd met Gertrudis. Later keert het gezin weer terug naar Puth. Hier wordt zijn enig kind met Gertrudis, Johannes geboren. Deze Johannes huwt op 25 januari 1780 de eerste maal met Anna Witmakers een dochter van Hendrik Witmakers en Mechtildis Mengelers. Hendrik Witmakers genaamd Marien Hentjen en zijn broer Richard genaamd Rijkske van gen Heek behoorden ook tot de bende. Hendrik is terechtgesteld geworden op 17 december 1743. Richard was reeds voor een eventuele arrestatie op 16 november 1743 te Hegge aan de tering gestorven. Johannes huwt voor de tweede maal in 1784 met Elisabeth Notermans en haar tante was Maria Notermans die in 1763 gehuwd was met Balthasar Kerckhoffs een schoenmaker uit Merkstein. Balthasar geletterd en welgesteld was onderkapitein der bende en broer van Peter Kerckhoffs (bendelid) koster te Hoengen en van de chirurgijn Joseph Kerckhoffs leider van de bende uit s Hertogenrode. Balthasar is op 6 maart 1771 gestorven op de pijnbank in kasteel Herzogenrath. Peter is in de zomer van 1771 gestorven in de gevangenis en Joseph is op 11 mei 1772 opgehangen op de Beckenberg. Maria Notermans nam gekleed in mannenkleren ook deel aan de activiteiten van de bende, en werd samen met haar man gearresteerd op 28 januari 1771 en gevangen gezet op kasteel Herzogenrath maar wist eind maart 1771uit detentie te ontsnappen.

 

De zoon van Antonius en Anna genaamd Anthonius (bendelid)huwt met Helena Danils, welke een zus is van zijn zwager Geerling Danils (bendelid). Anthonius jr de zoon van Anthonius en Helena behoorde ook tot de bende en huwde in 1747 met Barbara Catsberg een dochter van het bendelid Johannes Catsberg en Maria Frissen. Johannes Catsberg genaamd de rooden speelman van Nagelbeek is samen met zijn zoon Johannes genaamd Henske van Nagelbeek op 17 december 1743 terechtgesteld.

 

De dochter van Antonius en Anna genaamd Anna huwt met het bendelid Gerlacus (Geerlingh) Danils welke een broer is van haar schoonzus Helena. Hun zoon Antonius treedt ook toe tot de bende. Een andere zus van Geerlingh, Gertrudis Danils is gehuwd met Leonard Caldenberg en hun zoon Arnold, genaamd Nol de trouwe jongen behoorde ook tot de bende en is terechtgesteld op 15 mei 1751.

 

De dochter van Antonius en Anna genaamd Maria huwt met het bendelid Wijnandus (Wijn) Wijnen.

 

De eed

 

Het afleggen van de eed is door diverse veroordeelden aangehaald, deze werd afgenomen door de bendeleiders en dit is gebeurd op diverse plekken, zowel in als buitenshuis.

Hij is o.a. afgenomen door de kapitein van de bende (de Gavarelle) als ook door Geerlingh Danils en Wijn Wijnen. De locaties waren in het huis van de Gavarelle in Geleen, de huizen van Daniels en Wijnen in Wolfhagen, het bosje gelegen in Wolfhagen en de heksenberg in Heerlerheide.

 

Hier volgen enkele verslagen van zon eedsaflegging:

 

Eedsaflegging bij Geerlingh Danils thuis.

 

Op een banxken staen twee cleene brandende keertzkens, een crucifixke, een cleen wit steene Moedergodtsbildt, Sijnde dat de banxcke bekleedt met eenen witte doek waer op ook lagh eene doode handt in eene plagge gedraeijt, ende daer neffens een cleen doosken.

De eedt werd voorgelesen en daernaer hem van woordt tot woordt voorgeseijt, en de gedetineerde hem naergesproken en gedaen heeft mits opsteekende de twee eerste vingeren met de duijme sijnen rechte handt.

De eedt behelsende ongeveer: dat men Godt met de heijlige Moedergodts afsweere ende den duivel toe. In cas men daernaer gevanghen werde hij sigh eerder moeste laeten doodt pijnigen als eenen van hen verraeden offte in cas hij hen verraedde ende daernaer uitquaeme sij met hem souden doen gelijck het diegeene soude gaen die alsoo gevanghen werden.

 

Eedsaflegging in het boschke achter Wolfhagen.

 

Toen aldaar een keertske in een dode hand staande werd aangestoken en op een neusdoek op de grond gezet en daarnaast een rond dooske waarin waren een grote en een kleine geconsacreerde hostie, dat hij de gedetineerde moest beloven van geen kameraden te beklappen waar het ook dat zij zouden gevangen worden en door de tortuur daartoe gedwongen, ten dien einde God afzwerende en de Duivel toe, toen opstekende de twee voorste vingers en de duim van de rechterhand en zo zij zouden gevangen worden en door tortuur moesten bekennen en ter dood worden gebracht dat zij alsdan alles zouden herroepen.

 

Eedtsaflegging bij den Heksenberg omtrent Heerlerheide.

 

In eene delle zate een aantal mannen in een ring bijeen. In het midden stond de Gavarelle met Geerlingh Danils, welke laatste eene doode handt hield, waarin een kertzke brandde. Toen zwoer de Gavarelle het eerst de eedt in de handen van Danils en deze op zijn beurt in de handen van de Gavarelle. Daarop legde ieder op zijn beurt de eedt af in de handen van de Gavarelle, bijgestaan door Daniels en wel met het opsteken der twee voorste vingeren van de rechterhand sweerende God en alle heiligen af en den duivel toe, en niemant te sullen verklappen op straffe van gehakt en gekapt te sullen worden tot den doodt toe

 

Wijn Wijnen heeft toegegeven dat hij de doode hand van eene gexecuteerde aan de galg te hebben

afgekapt

 

Daden

 

De meest genoemde daden in de processtukken zijn: Inbraak, diefstal, kerkdiefstal, heiligschennis, marteling meestal met behulp van vuur, verkrachting, moord en brandstichting

 

Justitie

 

De justitie werd uitgevoerd door het schepengerecht of schepenbank bestaande uit schout en schepenen.

De schout werd door de bezitter der heerlijkheid voor onbepaalde tijd benoemd en was diens vertegenwoordiger in het gerecht der schepenen. Hij vorderde instructie bij de schepenen en was tevens belast met het opsporen van misdadigers.

De schepenen wezen recht, zij waren de bestuurders en wetgevers der gemeente en tevens de uitvoerders van de verordeningen. Verder waren zij belast met de zorg voor armen, krankzinnigen, het onderwijs, het voorkomen en slechten van geschillen, bescherming van eigendommen enz. De schepenen waren de civiele en criminele rechters.

Een secretaris of griffier was belast met het schrijfwerk.

De gerichtsbode was belast met dagvaardigingen, afkondigingen en aanplakkingen en tevens met het arresteren van misdadigers met assistentie van de schutters.

 

Tortuur of marteling

 

Personen die verdacht werden schuldig te zijn aan misdrijven die met de dood bestraft werden, daarop mocht bij vonnis van wet gericht tortuur toegepast worden om hen tot bekentenis te brengen en hun kameraden te noemen.

De tortuur werd voorafgegaan door een territie, welke bestond uit het tonen van allerlei foltertuig om zo te komen tot een vrije bekentenis. Hielp dat niet dan ging men over tot de tortuur (scherper examen) de beklaagde kreeg hieraan voorafgaand 16 uur geen eten. De meest gebruikte martelwerktuigen waren de duimschroeven, Spaanse stevel en de stoel van tortuur. Het folteren gebeurde door een scherprechter of beul, welke ook belast was met de uitvoer van de opgelegde straffen. De bekentenis verkregen door tortuur moest binnen 24 uur door de beschuldigde vrij van boeien bevestigd worden, om als bewijs aangevoerd te kunnen worden. Herriep de verdachte zijn bekentenis dan kon opnieuw en meerdere keren de tortuur weer toegepast worden.

De scherprechter in deze streken in die tijd was Nicolaus Tilleborgh woonachtig in Aken, zoon van Hermanus Tillenborgh en Odilia Tillemans, gedoopt in Maastricht op 4 juni 1708. Nicolaus stamde uit een oud scherprechtergeslacht.

 

Vonnissen

 

Door het gebruik van tortuur kwam vrijspraak zelden voor. En daar men er in die tijd niet op ingericht was om gevangenen voor langere tijd op te sluiten gebruikte men dus een andere vorm van straffen. De lichtste vormen van straffen welke men kon opleggen waren geseling, brandmerken en verbanning, in de processen tegen de bendeleden werden deze straffen echter zelden uitgesproken. Meestal werd de doodstraf uitgesproken met verbeurdverklaring van de eigendommen en in sommige gevallen moest ook het woonhuis worden afgebroken.

Er waren verschillende vormen van doodstraf. Zo was er onthoofding met de bijl, wurging aan een paal, ophanging aan de galg, radbraken, vierendelen en de brandstapel. Soms voorafgegaan door brandmerken en afkappen van ledematen. Ook werden wel diverse vormen achterelkaar uitgevoerd.

Indien men zelfmoord pleegde of overleed voordat de straf ten uitvoer was gebracht volgde meestal ophanging aan een been. Vaak moest het lijk als voorbeeld blijven hangen tot het in verregaande staat van ontbinding was en werd dan daarna op de executieplaats begraven.

 

De Familieleden:

 

Joannes Winckens ook genaamd Hubben Hans (broer van Antoon, Anna en Maria)

 

Zoon van: Antonius Winckens en Anna Wijnandts

 

Gedoopt: onbekend

 

Gehuwd met: Maria Heuvels op 2 mei 1713 te Schinnen; Maria doop onbekend, overleden 16 augustus 1738 te Puth. Dochter van vermoedelijk Joannes Heuvels en Agnes Reinaerts.

 

Kinderen: Geen bekend

 

Gehuwd met: Maria Houben huwelijksdatum onbekend; Maria gedoopt te Schinnen op 17 februari 1701 en overleden te Puth op 3 augustus 1744. Dochter van Joannes Houbben en Helena Moberts.

 

Kinderen: Anna gedoopt 26 januari 1741 te Schinnen.

 

Gehuwd met: Anna Gertrudis Fijnet huwelijksdatum onbekend; Anna Gertrudis gedoopt te Aegidienberg (Dld)op 11 juli 1699, overleden 4 juni 1775 te Puth. Dochter van Reinerus Finet en Anna Catharina Schurger. Anna Gertrudis was eerder gehuwd met Adam Peters, hierover is verder niets bekend, en eerder gehuwd met Joannes Driessen uit deze relatie een kind Nicolaus Reinerus Driessen gedoopt 17 december 1727 te Sittard.

 

Kinderen: Joannes doopdatum onbekend.

 

Beroep: O.a. bedelaar

 

Woonplaats: Puth

 

Overleden: 14 april 1756 te Puth

 

Joannes Winckens is beschuldigd geworden door Peter Schols van:

 

 

Joannes weet op tijd te vluchten maar keert later weer naar Puth terug.

 

Antoon Winckens ook genaamd Teunke uit de beemden (broer van Joannes, Anna en Maria)

 

Zoon van: Antonius Winckens en Anna Wijnandts

 

Gedoopt: 29 maart 1704 te Schinnen

 

Gehuwd met: Helena Danils op 5 februari 1726 te Schinnen; Helena gedoopt te Schinnen op 1 juli 1700 en hier overleden op 19 juni 1758. Dochter van Joannes Daniels en Maria Klickhamer.

 

Kinderen: Anthonius; gedoopt 2 november 1726 te Schinnen

Maria; overleden op 8 november 1727 te Schinnen

Petrus; gedoopt 10 december 1730 te Schinnen

Maria; gedoopt 5 september 1732 te Schinnen

Anna; gedoopt 25 oktober 1734 te Schinnen

Helena; gedoopt 12 december 1736 te Schinnen

Joannes; gedoopt 3 juni 1738 te Schinnen

Anna Maria; gedoopt 25 juni 1742 te Schinnen

Beroep: Slotenmaker en bedelaar

 

Woonplaats: Wolfhagen te Schinnen

 

Overleden: 17 december 1743; terechtgesteld

 

Antoon Winckens was getrouwd met een zus van Geerlingh Danils en zij waren tevens buren.

 

Antoon Winckens is beschuldigd geworden door Joes Craens op 20-09-1743 van:

 

 

Antoon Winckens is beschuldigd geworden door Johannes Catsberg jr. (Henske van Nagelbeek) op 08-11-1743 van:

 

 

Antoon Winckens is beschuldigd geworden door Johannes Schoerens (het Scheuerke) op 02-12-1743 van:

 

 

Antoon Winckens is beschuldigd geworden door Wijn Wijnen van:

 

 

Antoon Winckens is beschuldigd geworden door Joes Catsberg den rooden speelman van Nagelbeek:

 

 

Antoon Winckens is op 10 of 11 februari 1751 nog postuum beschuldigd door Mevis Offermans:

 

 

Antoon Winckens is op 19 juli 1751 nog postuum beschuldigd door Peter Schols uit Spaubeek van:

 

 

 

Vanwege de bekentenissen van zijn complicen werd Antoon Winckens op 11 november 1743 gearresteerd en op kasteel ter Borg gevangen gezet. Na confrontatie met de beide Catsberghen werd besloten tot een scherper examen.

 

Na behoorlijke territie op 3 december 1743 recollectie op 5 december 1743 bekent Antoon dat hij:

 

 

Na ingewonnen advies van twee rechtsgeleerden werd Antoon Winckens als schuldig aan diverse diefstallen met braak op 14 december 1743 gevonnist. Het vonnis luidde als volgt: gecondemneert om aan eenen paal geworgd te worden totdat den doodt volgt ende daernaer verbrant te worden met confiscatie zijner goederen en effecten met verbott van in 100 jaeren niet meer te bouwen op de plaetse van het huis dat sall worden afgebroken omdat het gediend heeft tot schuilplaats van dieven en schelmen

 

Op 17 december 1743 wordt Antoon Winckens tesamen met Joes Catsberg (de rode speelman van Nagelbeek), diens zoon Johannes Catsberg jr. (Henske van Nagelbeek), Johannes Schoerens (het Scheuerke) en Hendrick Witmakers (Marien Hentjen) op de Danikerberg gewurgd aan een paal en worden hun lijken verbrand.

 

 

Antoon Winckens junior van Nagelbeek

 

Zoon van: Antonius Winckens en Helena Danils

 

Gedoopt: 2 november 1726 te Schinnen

 

Gehuwd met: Barbara Catsberg op 25 april 1747 te Schinnen; Barbara gedoopt te Schinnen op 14 november 1719 en overleden op 10 november 1803 te Puth. Dochter van Joannes Catsberg en Maria Frissen. (de vader van Barbara is de rode speelman van Nagelbeek en haar broer is Henske van Nagelbeek; beiden terechtgesteld op 17 december 1743)

 

Kinderen: Petronilla gedoopt 9 maart 1749 te Schinnen

Antonius gedoopt 29 januari 1751 te Schinnen

Petronilla gedoopt 11 augustus 1755 te Schinnen

 

Beroep: Schoenlapper

 

Woonplaats: Nagelbeek te Schinnen

 

Overleden: Onbekend

 

Antoon is reeds op 12 jarige leeftijd met zijn vader meegetrokken op rooftochten.

 

Na de executies in 1743 was Antoon buiten het land gevlucht en is volgens de getuigenissen terug gekomen vr de diefstallen bij Gad en Petri

 

Antoon Winckens jr. is beschuldigd geworden door Joes Craens op 20 september 1743 van:

 

 

Antoon Winckens jr. is beschuldigd geworden door Nol Caldenberg op 31 oktober 1750, 15 december 1750 en 22 december 1750 van:

 

 

 

Antoon Winckens jr. is beschuldigd geworden door Jacques Dujardin van Hommert bijgenaamd de keukelaar op 18-12-1750 van:

 

 

Antoon Winckens jr. is beschuldigd geworden door Wijn Wijnen op 22-12-1750 van:

 

 

 

Antoon Winckens jr. is beschuldigd geworden eind 1750 begin 1751 voor de schepenbank op ter Borg door Nol Caldenberg, Wijn Wijnen, Antoon Hamers en This Swinnen, en door Hendrik Glaesmaekers en Mevis Offermans voor het schepengerecht van st. Jansgeleen van:

 

 

Antoon Winckens jr. is beschuldigd geworden door Henri Glaesmakers op 25 januari 1751 en 16 april 1751 voor de schepenbank van Geleen in de gevangenis van St. Jansgeleen van:

 

 

 

Antoon Winckens jr. is beschuldigd geworden door Mevis Offermans op 10 en 11 februari 1751 van:

 

 

Antoon Winckens jr. is beschuldigd geworden door Hendrick Schreijen op 17 april 1751 van:

 

 

Daar door de getuigenis van zijn zijn complicen de medeplichtigheid aan vele diefstallen bewezen werd geacht, werd bij decreet der schepenen van 26 april 1751 bevel gegeven tot gevangen neming. Maar Antoon was reeds gevlucht. Antoon werd op dezelfde dag fugitief verklaard. Op 3 zondagen met tussenposen van 14 dagen werd een oproep om te verschijnen op de kerkdeur geplakt. Na afloop van de termijnen was Antoon nog niet verschenen en werd er zonder hem geprocedeerd. Op 28 augustus 1753 werd hij veroordeeld om in effigie (een afbeelding) gexecuteerd te worden met sequestratie van zijn goederen. Het huis van Antoon als hebbende gediend tot vergaderplaats van schelmen, moest met de grond gelijk gemaakt worden met verbod gedurende 100 jaren niet meer op het terrein te bouwen.

 

Waarheen Antoon gevlucht is en waar en hoe hij gestorven is, is vooralsnog niet bekend. Hij is waarschijnlijk niet voorgoed teruggekeerd naar Schinnen, hoewel er in 1755 nog een kind van hem in Schinnen gedoopt wordt.

 

 

Anna Winckens (zus van Joannes, Antoon sr. en Maria)

 

Dochter van: Antonius Winckens en Anna Wijnandts

 

Gedoopt: 8 mei 1697 te Schinnen

 

Gehuwd met: Geerlingh Danils op 4 februari 1727 te Schinnen; Geerlingh is gedoopt op 8 april 1696 te Schinnen en zoon van Joannes Daniels en Maria Klickhamers.

 

Kinderen: Voor het huwelijk met Geerlingh heeft Anna al twee natuurlijke zonen welke bij het huwelijk met Geerlingh door hem erkend worden.

 

Joannes (Winckens) gedoopt te Schinnen op 16 november 1723

Antonius (Winckens) gedoopt te Schinnen op 6 oktober 1725

Anna gedoopt te Schinnen op 9 december 1727

Anna Catharina gedoopt te Schinnen op 9 april 1730

Maria gedoopt te Schinnen op 26 juni 1731

Gerlacus gedoopt te Schinnen op 10 december 1733

Maria gedoopt te Schinnen op 3 november 1735

Maria Margaretha gedoopt te Schinnen op 29 juni 1738

 

Woonplaats: Wolfhagen te Schinnen

 

Overleden: 17 juni 1744 te Schinnen

 

 

Anna was gehuwd op 4 februari 1727 met Geerlingh Danils. Geerlingh was geboren te Schinnen, geletterd en van beroep was hij een dagloner en schoenlapper. Het gezin woonde te Wolfhagen, van Schinnen komende links.

 

Na de executies in 1743 was Geerlingh gevlucht en kwam weer terug toen hij zich weer veilig achtte. Hij was het die samen met de in Geleen wonende kapitein de bende weer op sterkte bracht. De trouwste leden rekruteerde hij uit zijn familie en de familie van zijn vrouw.

 

Geerlingh werd aangeduid als onderkapitein der bende en nam van menigeen de eed af in zijn huis te Wolfhagen. Hij was dan gekleed in een blauwen jas met rooden kraag en koperen knoopen. Geerlingh schreef de namen op in een boekje. Later werd de eed nog een herhaald bij de kapitein te Geleen.

 

De zoon van Geerlingh, Anthoon behoorde ook tot de bende, zijn zus Gertrudis gehuwd met leonard Caldenberg was de moeder van het bendelid Nol Caldenberg (15-05-1751 opgehangen) en zijn zus Helena was gehuwd met het bendelid Antoon Winckens de broer van zijn vrouw Anna.

 

 

Geerlingh Danils is beschuldigd geworden door Henske Catsberg van Nagelbeek op 8 november 1743 van:

 

 

Geerlingh Danils is beschuldigd geworden door Johannes Catsberg jr. (Henske van Nagelbeek) op 08-11-1743 van:

 

 

Geerlingh Danils is beschuldigd geworden door Hendrick Witmakers (Marien Hentje) op 25 november 1743 van:

 

 

 

Geerlingh Danils is beschuldigd geworden door Jan Schoerens (het Scheuerke) op 2 december 1743 van:

 

 

 

Geerlingh Danils is beschuldigd geworden door Antoon Hamers op 30 juni 1750 en 3 september 1750 van:

 

 

Geerlingh Danils is beschuldigd geworden door Francis Hamers op 14 december 1750 van:

 

 

Geerlingh Danils is beschuldigd geworden door Nol Caldenberg op 31 oktober 1750, 15 december 1750 en 22 december 1750 van:

 

 

Geerlingh Danils. is beschuldigd geworden door Wijn Wijnen op 22-12-1750 van:

 

         medeplichtigheid aan de diefstal bij de juffrouwen Gade samen met Antoon Winckens jr. e.a.

         medeplichtigheid aan diefstal met inbraak en knevelarij ten huize van Hendrick Petri te Puth in de nacht van 4 op 5 maart 1750 samen met Antoon Winckens jr. e.a.

 

 

Geerlingh Danils is beschuldigd geworden door This Swinnen op 8 januari 1751 van:

 

 

 

Geerlingh Danils is beschuldigd geworden door Henri Glaesmakers op 25 januari 1751 en 16 april 1751 voor de schepenbank van Geleen in de gevangenis van St. Jansgeleen van:

 

 

Geerlingh Danils is nog postuum beschuldigd geworden door Mevis Offermans op 10 en 11 februari 1751 van het:

 

 

Geerlingh Danils is nog postuum beschuldigd geworden door Hendrick Schreijen op 17 april 1751 van:

 

 

 

Geerlingh Danils is nog postuum beschuldigd geworden door Peter Schols op 19 juli 1751 van het:

 

 

Op 16 juli 1750 besluiten de schepenen van Schinnen hem te arresteren. Men komt erachter dat Geerlingh gevlucht is en zich schuil hield bij zijn zoon Anthoon getrouwd te Lansraad-Gulpen.. De schepenen van Gulpen werd verzocht om op zijn persoon beslag te leggen. Tijdens deze arrestatie op 23 januari 1751 doodde Geerlingh een bode door een slag op zijn hoofd en werd de schepen Justenius door het hoofd geschoten. Geerlingh probeerde zelfmoord te plegen door zichzelf enige malen met een mes in de buik te steken. Deze poging mislukte en Geerlingh werd samen met zijn schoondochter op kasteel Neuborg gevangen gezet. De dag erna werd Geerlingh overgebracht naar het kasteel van Schinnen.

Het eerste verhoor vond plaats op 26 januari 1751. Tijdens dit verhoor geeft Geerlingh aan dat zijn zoon de schepen door het hoofd heeft geschoten, maar verder geeft hij aan dat hij geene complicen zal noemen en dat hij geene zaligheid wil hebben.

Geerlingh overleed aan inflaminatie van de zichzelf toegebrachte wonden in de gevangenis van ter Borg op den 28 januari 1751. Het vonnis der schepenen van 30 januari 1751 luidde: het cadaver van Geerlingh Danils anderen tot exempel, door een afdoender (vilder) gesleept te worden ter plaetse van excecutie der crimineele justitie ende aldaer met een been aen een vorck door de afdoender gehangen te worden en ter plaatse ter aerde gedelft te worden, onder confiscatie sijner goederen

Het vonnis werd op 31 januari 1751 uitgevoerd op de Danekerberg.

 

Antonius Danils (Winckens)

 

Zoon van: Geerlingh Danils en Anna Winckens

 

Gedoopt: 6 oktober 1725 te Schinnen

 

Gehuwd met: Maria Catherina Lhoon alias Vlaescamp op 27 januari 1746 te Schinnen; Maria Catherina is gedoopt op 11 juli 1724 te Gulpen en dochter van Joannes Vlaescamp en Johanna Lhoon.

 

Kinderen: Gerlacus gedoopt te Schinnen op 11 oktober 1746.

Joanna Maria gedoopt te Schinnen op 23 maart 1748.

Anna Catharina gedoopt te Gulpen op 2 augustus 1750

 

Woonplaats: Lansraad te Gulpen

 

Overleden:

 

Anthoon Danils is beschuldigd geworden door Nol Caldenberg op 31 oktober 1750, 15 december 1750 en 22 december 1750 van:

 

 

Anthoon Danils is beschuldigd geworden door Henri Glaesmakers op 25 januari 1751 en 16 april 1751 voor de schepenbank van Geleen in de gevangenis van St. Jansgeleen van:

 

Anthoon Danils is beschuldigd geworden door Mevis Offermans op 10 en 11 februari 1751 van het:

 

Medeplichtigheid zijn aan diefstal met inbraak en knevelarij ten huize van Hendrick Petri te Puth in de nacht van 4 op 5 maart 1750 samen met Antoon Winckens van Nagelbeek deze was gewapend met een zaalpistool, zijn vader Geerlingh Danils gewapend met een zaalpistool en een groot mes, Wijn Wijnen met een zaalpistool en een stok, e.a.

 

Anthoon Danils is door zijn vader Geerlingh Danils op 26 januari 1751 beschuldigd geworden van:

 

 

Anthoon weet tijdens de arrestatie van zijn vader en zijn vrouw op 23 januari 1751 te Gulpen te vluchten.

 

 

Maria Winckens (zus van Joannes, Antoon sr. en Anna)

 

Dochter van: Antonius Winckens en Anna Wijnandts

 

Gedoopt: 11 april 1701 te Schinnen

 

Gehuwd met: Wijn Wijnen op 9 januari 1731 te Schinnen; Wijnandus is gedoopt op 31 juli 1696 te Nuth en zoon van Cornelius Wijnen en Elisabeth Rutten

 

Kinderen: Maria heeft voor het huwelijk met Wijn Wijnen al een natuurlijke zoon, Johannes Winckens gedoopt 27 april 1727 te Schinnen. Genoemde vader Johannes Bordts uit Meerssen.

Kinderen met Wijn Wijnen:

Cornelius gedoopt op 2 september 1731 te Schinnen

Petrus gedoopt op 19 juni 1733 te Schinnen

Joannis gedoopt op 8 januari 1735 te Schinnen.

 

Woonplaats: Wolfhagen te Schinnen

 

Overleden: 26 oktober 1746 te Wolfhagen

 

Wijn was geboren te Vaesrade, geletterd en van beroep was hij een slotenmaker. Hij wordt aangemerkt als een lange zware kerel. Het gezin woonde te Wolfhagen. Wijn overlijdt te Schinnen op 15 mei 1751.

 

Wijn Wijnen is beschuldigd geworden door Johannes Catsberg jr. (Henske van Nagelbeek) op 08-11-1743 van:

 

 

Wijn Wijnen is beschuldigd geworden door Jan Mathijs Ponts op 12 augustus 1743 van :

 

 

Wijn Wijnen is beschuldigd geworden door Griet Meels op 10 october 1743 tijdens haar verhoor op kasteel Amstenrade van:

 

 

Wijn Wijnen is beschuldigd geworden door Mathijs Ponts en Joes Klinckers bij confrontatie met hen in october 1743 op het kasteel van Hoensbroek van:

 

 

Wijn Wijnen is beschuldigd geworden door Jan Schoerens (het Scheuerke) op 2 december 1743 van:

 

 

Wijn Wijnen is beschuldigd van aan een menigte diefstallen met huisbraken medeplichtig te zijn daarom verzoekt de officier der Heerlijkheid Schinnen op 8 october 1743 zijne corporeele apprehensie.

Op 13 oktober 1743 wordt Wijn gearresteerd en gevangen gezet in de kelders van ter Borg Op 19 oktober 1743 wordt Wijn geconfronteerd met Mathijs Ponts en Joannes Klinckers op kasteel Hoensbroek. In de nacht van 22 oktober 1743 kan hij zich vanwege zijn buitengewone lichaamskracht ontdoen van dwangbuis en boeien. Door een dichtgemetseld venstergat verschaft hij zich de weg naar buiten. Wijn vluchtte naar zijn zuster in Ubachsberg.

 

Op 13 october 1743 en op 21 october 1743 waren de volgende goederen van Wijn in beslag genomen en verkocht:

2 koeien, 1 kaelf, een haan en zeven hoenders, 1 schaepskooie, een bijenkaar met meel, 1 ijseren ketel met planken deksel, 2 tienen, 1 boterstang, 3 baren, 1 eerde en 1 porcelijnen pot, 1 ijzeren keetelke, 1 punderen, een paar kannen, een blijen pot met blijen bouteille, 1 banck, 3 houten stoelen, 1 koekenpan, 1 kiste met kleeren van de vrouw, 1 seisel, 1 tob, 1 bed met stroo, 1 aamveld, 1 haspel, 1 moeil, wan, riek, mistgaffel, schutgaffel, schop, hangende ijzeren haal, 3 troije kaar, 3 bijenkaar, mandel, vlegel, ladder, korenzeef, speelkaarten, 5 hamers, een haex, wapen, 8 vijlen, smeetange, blaesbalk, sigte met haak, valise, stukken ijzeren plaet, witsensnijder, 6 karen met bijen, boter, ijzeren scheer, 11 vat koren, 3 vaten erten, 1 turksche boonen, rogge en ertestrooi en 10 a 12 bosschen grommet.

 

Wijn Wijnen is beschuldigd geworden door Johannes Catsberg op 9 en 20 november 1743 van:

 

 

Wijn Wijnen is beschuldigd geworden door Nol Caldenberg op 31 oktober 1750, 15 december 1750 en 22 december 1750 van:

 

 

 

Wijn Wijnen is beschuldigd geworden door Henri Glaesmakers op 25 januari 1751 en 16 april 1751 voor de schepenbank van Geleen in de gevangenis van St. Jansgeleen van:

 

 

 

Wijn Wijnen is beschuldigd geworden door Mevis Offermans op 10 en 11 februari 1751 van:

 

 

Wijn Wijnen is beschuldigd geworden door Hendrick Schreijen op 17 april 1751 van:

 

 

 

Wijn Wijnen is op 19 juli 1751 nog postuum beschuldigd door Peter Schols uit Spaubeek van:

 

 

 

Op 20 juli 1750 werd naar aanleiding van de bekentenis van Antoon Hamers door de officier weer gevangenneming verzocht van de in 1743 ontvluchtte Wijn Wijnen.

Op 22 juli 1750 werd hij weer gearresteerd. Ditmaal werd hij beter geketend op ter Borg gevangen gezet. Het eerste verhoor vond plaats op 24 juli 1750. Na confrontaties met Anton Hamers en Jacques du Jardin waarbij hij bleef ontkennen, werd besloten tot scherper examen.

Na het eerste scherper examen op 10 september 1750 werd Wijn nog herhaalde malen op de pijnbank gefolterd en ten slotte legde hij op 23 december 1750 een volledige bekentenis af. Hij verklaarde nooit den eed te hebben gedaan en dat hij indertijd door de afdoender van de Akerstraat Mathias Ponts was overgehaald om lid van de bende te worden

Op 11 mei 1751 werd het vonnis uitgesproken van opknooping aan de galg om daar te verblijven.

Op 15 mei 1751 werd het vonnis op de Danikerberg voltrokken.

 

 

Theodorus Winckens (Dijrck Winckens uit Thull)

 

Zoon van: Theodorus Winckens en Anna Slangen

 

Geboren: ca. 1711 te Thull

 

Gehuwd met: Maria Thevissen geboren te Wijnandsrade, overleden te Thull op 25 september 1779.

 

Kinderen: Joannes; gedoopt 2 september 1741 te Schinnen

Cornelia; gedoopt 4 september 1742 te Schinnen

Godefridus; gedoopt 7 maart 1744 te Schinnen

Elisabeth; gedoopt 27 maart 1746 te Schinnen

Theodorus Leonardus; gedoopt 28 december 1749 te Schinnen

Theodorus; geboren ca.1750 te Schinnen

Dionisius Gregorius; gedoopt 17 november 1751 te Schinnen

Andreas; gedoopt 22 december 1753 te Schinnen

Paulus Benedictus; gedoopt 21 maart 1757 te Schinnen

Conradus Gerardus; gedoopt 2 februari 1761 te Schinnen

Beroep: onbekend

Woonplaats: Thull te Schinnen

 

Overleden: 31-07-1771

 

Theodorus (Dirck) Winckens is beschuldigd geworden door Johannes Catsberg jr. (Henske van Nagelbeek) op 08-11-1743 van:

 

 

Theodorus (Dirck) Winckens van Thull is beschuldigd geworden door Johannes Schoerens (het Scheuerke) op 02-12-1743 van:

 

 

Geen vervolging of veroordeling van Theodorus (Dijrck) bekend.

 

 

Een losse draad

 

Hoewel er tot op heden nog geen familierelatie is aangetoond met Michael Winckens wil ik hem in dit stuk toch niet onvernoemd laten.

 

Michael Winckens

 

Zoon van: Henricus Winckens en Maria Goetskens

 

Gedoopt: 19 februari 1704 te Afden (Dld)

 

Gehuwd met: Catharina Merckelbach op 22 november 1739 te Afden.

 

Kinderen: Anna Maria gedoopt op 12 juni 1740 te Laurensberg

Anna Christina gedoopt op 25 december 1742 te Afden

 

Woonplaats: Herzogenrath, aan de Hertogenvijver.

 

Overleden: 2 april 1743 te Herzogenrath

 

Michael Winkens is door Joannes Dircks beschuldigd geworden van:

 

 

Michael Winckens is door Peter Douven uit Chevremont op 8 januari 1743 beschuldigd geworden van:

 

 

Michael Winckens is door Andries Consten op 24 mei 1743 beschuldigd geworden van:

 

 

Michael Winkens is door Joannes Dirx op 14 augustus 1743 nog postuum beschuldigd geworden van:

 

 

Michael Winckens wordt aangemerkt als onderkapitein van de bende uit het land van s Hertogenrode, Oostenrijks gebied. Michael is geletterd en niet onbemiddeld. Michiel wordt gearresteerd op 12 januari 1743 en gedetineerd op kasteel Herzogenrath. Op 14 februari 1743 wordt Michael geconfronteerd met Douven en Nicolaes Peters uit de Groenstraat. Michael blijft de beschuldigingen ontkennen, en eind maart wordt besloten over te gaan tot scherper examen.

Na een uiterst pijnlijke foltering op de pijnbank in de kerker van het kasteel te Herzogenrath sterft Michiel op 2 april 1743. Michiel heeft hardnekkig gezwegen. Twee dagen later op 4 april 1743 wordt volgens vonnis zijn lijk door de beulsknecht over de kasteelmuur in de gracht geworpen. Daarna wordt zijn lijk naakt in een doodskist gelegd en begraven bij de kasteelmuur. De weduwe werd veroordeeld om alle kosten te betalen.

 

Nawoord

 

Dit stuk is opgesteld met mijn huidige kennis over de bokkenrijders en onze familie. Het zal dan ook wel in de loop van de tijd herzien of aangevuld worden. Maar volledig zal het nooit kunnen worden daar in her verleden veel archiefstukken met betrekking tot dit onderwerp verdwenen zijn.

 

Fotos

 

Bezoek ons fotoarchief voor een impressie van de huidige locaties van de woonplaatsen, de plaatsen van misdrijf en van de plaatsen van gevangenschap, tortuur en berechting.

 

Literatuur

 

Naast eigen archiefonderzoek is ook onderstaande literatuur geraadpleegd.

 

De bokkerijdersbende met de doode hand.

H. Pijls 1924

 

De geschiedenis der Bokkerijders in het voormalige land van s Hertogenrode.

Dr. W. Gierlichs 1940/1972

 

Woeste avonturen van de bokkerijders

g ramaekers en theo pasing 1972

 

De Bokkerijders

Roversbenden en geheime genootschappen in de landen van Overmaas

Anton Blok 1991

 

Website van John van Eekelen Afstammelingen van de bokkenrijders